Verhuisd!

Sinds Google ‘Blogger’ heeft gekaapt, is het een vrolijke choas aan URL’s om in een blog te komen. Niemand heeft daar blijkbaar last van, want ik lees er niets over.
Maar het is toch grappig dat veel bloggers een blogspot-adres hebben, maar als ze inloggen op hun eigen blog, terecht komen in het domein blogger.com van Google.

Anyway. Voor mijn nieuwe teksten ben ik verhuisd naar blogspot.
Deze mirror  in WordPress houd ik niet meer bij. Ik werk in:
http://blauwoog.blogspot.nl
Of als subdomein op mijn website: http://blog.blauwoog.nl

Tot daar of ooit!

Jan-Hein

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het geheim van twee plankjes

Alle leerlingen hebben een geheim. Geheimen zijn niet perse negatief of zijn een trauma. Verliefdheid is een geheim, zoals ook: straaljagerpiloot willen worden of nieuwslezer. Maar een geheim deel je niet op Facebook en vertel je ook niet in de pauze aan je eetgenoot. Geheimen zijn nooit onschuldig. Geheimen worden door de drager uiterst serieus genomen.

Ik bewaar twee plankjes. Het zijn geen gewone plankjes. Er zit een plaatje metaal van binnen en een haakje om ze op te hangen. Ik bewaar niet zo veel spullen, maar deze plankjes wil ik altijd bij me houden. Ik wil graag uitleggen waarom. Het gaat over een geheim van een leerling.

Maar ik moet eerst even iets over mijn jeugd vertellen. Toen ik 12 jaar was, was ik lid van een club. Die club heette “de zwarte hand”. De club bestond uit drie leden. Wij beloofden elkaar plechtig om alles wat wij deden geheim te houden. Wij waren een geheime club en een geheimenclub. Met z’n drieën hadden wij ons tot taak gesteld om geheimen te ontdekken en deze vervolgens geheim te houden. Nu valt het niet mee om zomaar wat geheimen te ontdekken, dus verzonnen wij ze zelf. Zo zagen wij een man op straat, die volgens ons een geheimzinnige opdracht had. Wij hadden dus de plicht om deze man te volgen. Zoiets deden we wel vaker. Als zo’n man dan op de bus stapte, concludeer­den wij dat hij probeerde te ontsnappen, omdat hij wel wist dat wij geen geld voor de bus hadden. En als zo’n man een gebouw binnen ging stelden wij vast dat hij versterking ging halen. Wij trokken ons dan terug omdat wij ongewapend waren. En wij wilden onze moeders geen verdriet doen, door met kleren vol met kogelgaten thuis te komen.

Over “de zwarte hand” durf ik te beweren dat er heel wat mensen zijn die vroeger ook zo’n clubje hadden. Niets is namelijk normaler dan te te leven met een geheim. En zeker in de fase van je leven waarin je nog veel droomt over hoe het zal worden en hoe het zou kunnen zijn, zijn er altijd geheimen. Op een school werken we met pubers en wij weten dat zij de dragers zijn van geheimen. Wij weten dat er ook heel wat zijn die een ernstig, pijnlijk, droevig geheim met zich mee dragen. En soms kan een geheim de goede ontwikkeling van een kind in de weg staan. Dan is het nodig dat wij ervoor zorgen dat dit kind of deze puber zijn geheim prijs geeft en dat hij of zij van een zware last wordt verlost.

De plankjes vormen voor mij de herinnering aan een geheim. Ik was lang geleden een jonge rector. Ik werd bezocht door een meisje uit uit 3-HAVO. Rossig, sproeten, verlegen. Ze heette Hanneke. Hanneke wilde me wat vertellen, maar durfde dat niet. En daarom vroeg ze of ik een plattegrond van de school had. Ze keek er zo ernstig bij, dat ik onmiddellijk begreep dat dit een hele serieuze vraag was. Het toeval wilde dat er niet lang geleden een een enorme verbouwing  had plaats gevonden en er nog stapels tekeningen in mijn kast lagen. We gingen samen aan tafel zitten en ik vouwde wat papieren uit elkaar. “Zoiets?”, vroeg ik. Ze wist het niet. Ze keek me vragend aan alsof het niet haar vraag was om plattegronden op tafel te leggen. Maar ik kreeg haar aan de praat. Ze was naar een dokter geweest en dat was geheim. Het is een dokter die veel weet over geheimen. 
De tranen liepen over haar wangen. Ik legde mijn hand op haar arm. Dat drufde je toen nog. Ze huilde zachtjes. Hier zat een meisje dat elke dag hoofdpijn had. Een vreselijke hoofdpijn. Nee geen migraine en ook geen hormonen. Dat had de huisarts allemaal uitgesloten. En papa  begreep er niets van en een mama was er niet. En op school mocht niemand het weten. Waarom? Dat wist ze niet. Het was gewoon beter zo. Hoofdpijn is wel erg. Maar dat je iets hebt waarvan de huisarts zegt dat het niets is, ga je niet rond bazuinen. 
En nu was ze via een vriendin van papa bij een dokter geweest, die alles van geheimen weet. En die zei dat er waarschijnlijk een soort breuk in het gebouw zat. Iets met aardstralen. En van aardstralen krijgen sommige mensen hoofdpijn.

Hanneke nam een stapel bouwtekeningen mee naar de geheimendokter en kwam terug met twee plankjes. De dokter had gezegd dat de breuk in het gebouw precies door mijn kamer liep. Ik vond dat bijzonder intelligent van deze man. Het lot van Hanneke lag nu helemaal in mijn handen. Ik moest de plankjes ophangen op anderhalve meter hoogte en precies tegenover elkaar. Daardoor zouden de aardstralen worden afgebogen. De conciërge die me hielp om de plankjes op te hangen was al even verstandig als de geheimendokter. Het was een geheimenconciërge en in Hannekes aanwezigheid sloeg hij een spijker in de muur van mijn kamer. En nog een. Het was een serieuze aangelegenheid waarbij vooral werd gezwegen. “Zo goed, Hanneke?” vroeg de geheimenconciërge. Hanneke haalde verlegen haar schouders op. Ze wist het ook niet. We moeten het zo maar proberen. 

Ik vroeg Hanneke elke week een keer langskomen. Dat deed ze. De hoofdpijn verdween en kwam nooit meer terug. Na de zomervakantie kwam Hanneke niet meer. Waarom zou ze ook? De hoofdpijn was weg en de plankjes hingen er nog steeds. Hanneke deed examen, kreeg een diploma en ging het grote leven tegemoet. 
Ze is de plankjes nooit meer komen ophalen. Ik heb haar nooit meer gezien. En zo hoort het ook. Zij was op weg naar geluk en had mij onderweg even nodig. En daarna niet meer. Maar ik heb de plankjes en bewaar ze als herinnering aan een van de betere momenten in mijn rol voor jonge mensen.

Leraren zijn heel belangrijk voor de jonge mensen in hun school. Het past bij pubers om dat niet te laten merken. Sterker nog zij moeten ontkennen dat volwassenen ertoe doen. Dat is nodig voor hun eigen groei. Maar in de kern hebben zij ons hard nodig. Daarom moeten leraren al deze kinderen en jong volwassenen in hun hart sluiten. Daarom moeten zij goed naar hen kijken en moeten zij zich blijven realiseren dat pubers allemaal een geheim hebben. Op die manier blijven leraren gevoelig voor het onverwachte moment dat van betekenis kan zijn, door een woord, door een gebaar of door hulp. Leraren moeten de engelen zijn, de herders en de redders in nood. Dat moeten ze niet zijn, dat mogen ze zijn. En dat is een heel groot voorrecht. Het is het mooiste wat er is.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Mijn vader had een houten been

Over schaamte en trots

Er werd nooit gesproken over het houten been van mijn vader. Het was er gewoon en het was er overduidelijk. Zoals hij liep, zo liep niemand. Toen hij nog fietste, was het nog duidelijker. Hij fietste op een ‘doortrapper’, waarvan de rechter pedaal was vastgezet. Met één been rond draaien. Hij kocht een auto toen de automatische versnelling (Daf!) was uitgevonden. Het gaspedaal was van rechts naar links verplaatst. Maar zijn houten been was nooit onderwerp van gesprek.

De kinderen kregen het houten been nooit te zien. Mijn vader was een trotse en wat ijdele man. Bovendien werden ingewikkelde en emotionele kwesties überhaupt niet besproken in die tijd. Ik meen me te herinneren dat ik wel eens stiekem heb gekeken op de slaapkamer van mijn ouders en dat ik gezien heb dat het been tegen een stoel stond. Maar daar ben ik niet zeker van. Het kan ook zijn dat een van mijn brutale zussen mij heeft verteld dat zij het gezien had. En dat mijn weelderige fantasie het verhaal heeft opgeslagen alsof ik zelf met heldenmoed op onderzoek uitging en een gruwelijke ontdekking deed: een houten been!
Ik heb mijn vader voor het eerst zonder zijn prothese gezien in de laatste maanden van zijn leven. In die fase van zijn leven had hij trots en ijdelheid ingewisseld voor de wil om zo snel mogelijk te sterven.

Ik herinner mij dat het in ons gezin wet was om des morgens aangekleed en gewassen aan het ontbijt te verschijnen. Die wet hoorde ongetwijfeld bij een nieuw burgerlijk leven van de naoorlogse middenklasse. Maar het ook veel te maken met de wet van mijn vader en zijn houten been. Nooit zagen wij hem in pyjama of ochtendjas. Zo wilde hij niet gezien worden en vaders wil is wet. Zelfs veel later, als opa, beval hij mijn achtjarige zoon om zich eerst aan te kleden. Op een vroege zondagochtend – een weekendje bij opa na de dood van mijn moeder – zat het ventje naar een kinderprogramma van de VPRO te kijken. En toen opa zich vertoonde in vol ornaat, moest kleine Marijn zich eerst gaan aankleden, zijn haren kammen en dan mocht hij TV komen kijken.

Ik herinner me niet dat er door anderen ooit iets lelijks werd gezegd over dat houten been. Maar misschien heb ik dat wel verdrongen, want er werd in mijn jeugd tamelijk hard en meedogenloos omgesprongen met lichamelijke onvolkomenheden. Zo ben ik vaak genoeg uitgemaakt voor “schele” of “brillenjood” vanwege mijn lichte vorm van bijziendheid.

Schaamte herinner ik me wel.. En schuldgevoel!, want je behoort je niet te schamen voor je vader. Maar mijn vader kon ook zich ook zo opzichtig gedragen in mijn bijzijn. In de kerk bijvoorbeeld. Zo’n overdreven tocht door het middenpad in een volle kerk, en als eerste gaan staan bij het Credo. Mijn vader was een lange man en dus zag de hele kerk hem als eerste staan. “Credo in unum deum, patrem omnipotentem.”  Ik schaamde me, om me dáár dan weer schuldig over te voelen.

Maar dat is niet zo gebleven.
Ik weet wel ongeveer wanneer mijn stemming is omgeslagen, wanneer mijn schaamte veranderde in trots. Trots op mijn vader. Trots op de man die schijt had aan wat andere mensen van hem vonden. Trots, omdat gezien mocht worden wat deze man had bereikt in zijn leven, ondanks zijn houten been.

Het is zomer en het gezin bivakkeert in een huisje in Zeeland. We gaan elke dag naar de zee. Moeder gaat niet mee. Er moeten kleren worden gewassen. En luiers.  Vader gaat met de kinderen naar het strand. Bespaar me de details. Ik haat het leven op een strand. Nog steeds. Het is primitief en smerig. Het is een gevangenis van zand, zout en zon. Voor mij is het een diepe afkeer van iets ellendigs en die afkeer maakt ook nog eenzaam. Niemand haat het strand. Alleen ik. Ik kan me ook niet voorstellen dat ik er als 12-jarige van heb genoten. Dat kan gewoon niet! Het is warm. Mijn vader zit te zweten. Hij zit in zijn hemd. De brede leren band van ‘het been’ loopt schuin over zijn borst en linker schouder. Dat moet met dit warme weer een extra last zijn. Hij draagt uiteraard geen korte broek. Stel je voor! Maar op enig moment wordt het hem te veel. Hij besluit verkoeling te zoeken in de branding. Hij wil het koele zeewater voelen tegen zijn benen. Been. Een praktisch probleem: hoe voorkom je dat de prothese te lijden krijgt onder het zoute water…

In mijn herinnering gaat het snel en zit er weinig tijd tussen het moment dat mijn vader oppert dat het heerlijk moet zijn in de branding en het moment dat ik hem verderop aan de waterlijn zie staan. Die grote opzichtige vader van mij. Zijn lange broek is tot kniehoogte opgerold. Hij heeft een plastic zak om zijn rechter voet en onderbeen. Een paar lelijke elastieken er omheen. De hele wereld kijkt.

Ik zal me wel geschaamd hebben. En ik zal me wel schuldig gevoeld hebben. Of misschien ook niet. Ik moet toch ook gevoeld hebben dat mijn vader het heerlijk vond. Even weg van dat hete zand. Even de verkoeling. Mijn afkeer van het strand van het strand was misschien het laatste zetje om mijn vader te gunnen schijt aan de wereld te hebben. Om bevrijd van zand- en zon-ellende uit volle borst te roepen hoe heerlijk het is in de branding. Om te willen zingen. “Credo in unum deum, patrem omnipotentem.”

 Uiteindelijk ben ik trots geworden op mijn trotse vader.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zweten voor de goede zaak

over corporate identity

Zoals men weet, heeft elke organisatie een missie, een huisstijl en een motto. Ook al is het doel van de organisatie evident, bijvoorbeeld het beheren van betaald parkeren, dan kan zij toch niet zonder missie, huisstijl en motto – “Parkeren glashelder” – door het leven. Het is de moderne identiteit van een bedrijf. Corporate identity.

Het is bloedheet. Ik ben met mijn gezin op vakantie. In de buurt van Avignon staan we voor een stoplicht. We zitten te zweten in een snikhete auto. Geen airco. Drie kinderen op de achterbank van mijn tweedehandse Volkswagen. Mijn jongste is nog maar 6 jaar. “Papa, wat is èrko?” Hij kijkt zijn oudere zus vol bewondering aan. Hij snapt dat dit heel belangrijk is: dit zitten in de hitte. Kleine kinderen hebben meer gevoel voor rituelen dan volwassenen. Ze zijn gek op dingen die een beetje geheimzinnig zijn en iets van een complot hebben. Het is bloedheet en de ramen van de auto zitten dicht. Het zweet parelt al op zijn voorhoofd. Hij ziet zijn zus grijnzen. Het was al heet, maar het wordt nog heter. We moeten het dus heel warm krijgen, denkt hij. Hij weet niet waarom, maar hij voelt dat het heel belangrijk is, dat dit ons gezamenlijk geheim is. Corporate identity.

Zwijgzaam een beetje voor je uit zweten. Geduldig wachten tot de ramen weer open gaan. Maar dan moet eerst het stoplicht op groen springen. De spanning loopt op. Niemand zegt iets. Het duurt minuten voordat ik we weer gaan rijden. En dan gaan de ramen weer open. Pffff. Het is gelukt!

Wie leiding geeft probeer het gedrag van anderen te beïnvloeden. Over hoe dat moet zijn heel veel boeken geschreven. Ik heb er een paar gelezen, maar ik ben vergeten wat er in stond. Het probleem – hoe beïnvloed ik het gedrag van anderen? – is te overzichtelijk om er veel tekst, modellen en checklists aan te wijden. Een competent leidinggevende werkt met een goede balans tussen straffen en belonen. Mensen die ervoor hebben doorgeleerd noemen dit een gedateerde behavioristische benadering van menselijk gedrag. Dat klopt. Maar het werkt nog steeds.
Voor leidinggevenden die leidinggevenden leiding geven – nee, geen typefout; lees maar even opnieuw – is het een stuk moeilijker. Daarom heten zij managers en krijgen zij een hoger salaris. Zij kunnen het gedrag van leidinggevenden wel beïnvloeden, maar zij hebben geen invloed op de laag medewerkers onder de leidinggevenden. Veel managers zitten daar niet mee: ze leven zich helemaal uit op de leidinggevenden. Als de leidinggevende de medewerkers niet in de hand kan houden, wordt deze ontslagen of weg gepest.
Maar sommige managers balen wel een beetje van deze situatie. Zij vinden het maar niks om langs een omweg leiding te moeten geven aan alle medewerkers achter en onder de leidinggevenden. En om deze frustratie hanteerbaar te maken hebben zij iets bedacht. Corporate identity. Voila. Het werkt als volgt. De manager schakelt een consultant, een copywriter en een communicatiebureau in. En om een lang verhaal kort te maken: na enige tijd weet elke medewerker dat de manager iets heeft bedacht. Deze medewerkers zijn verstandig en willen hun baan behouden. Ze tonen een soort van geregisseerd enthousiasme dat in de verte wel iets weg heeft van een Noord Koreaanse militaire parade. Ze leren de corporate mission uit hun hoofd en dragen heel trouw de badge met het opschrift “Parkeren, glashelder!”. Klaar.

Het is een algemeen gekoesterde illusie dat deze gang van zaken iets te maken heeft met een coporate indentity. Een organisatie met een echte identiteit is een bedrijf waarin medewerkers meer doen dan de baas vraagt. Het is een organisatie waarin medewerkers willen zweten voor de goede zaak, en niet omdat dat in het mission statement staat, maar omdat zij geloven in de organisatie en ervan houden. De identiteit van zo’n organisatie is een gemeenschappelijk ideaal.

Ik heb een auto zonder airco. Bijna niemand heeft een auto met airco. Het is 1985. Alleen hele dikke BMW’s en grote zwarte Mercedessen met dikke bestuurders hebben airco. Het is erg warm in Zuid Frankrijk, maar elk modaal gezin trotseert deze ellende voor een hoger doel: een vakantie in de Ardèche of de Provence. Mijn kinderen klagen niet. Het valt ook wel mee, zo lang als de auto in beweging is. De zwoele luchtstroom geeft een vorm van verkoeling. Maar stil staan voor een stoplicht is afzien!
Naast mij staat een BMW. De ramen zijn dicht. Ik verberg mijn jaloezie door mijn kinderen uit te leggen dat een auto met gesloten ramen airco heeft en dat zoiets heel veel geld kost. Daar zit een rijke man te genieten!
Bij een volgend stoplicht wacht ik ongeduldig op ‘groen’. De ondeugendste van mijn kinderen neemt het woord. “Papa!” “Zullen we doen alsof we airco hebben?” “Dan denkt iedereen dat wij heel rijk zijn!”
Voordat ik een relativerende opmerking kan maken, omdat ik al snel bedenk dat dit weinig meer oplevert dan zweet, springt het licht op groen. We zijn gered. Maar het volgende stoplicht is al weer in zicht. “Nu!” wordt er geroepen en op het moment dat de auto tot stilstand komt zijn alle ramen dicht. Ik zie in het spiegeltje dat mijn kinderen triomfantelijk om zich heen zitten te kijken. We zitten daar vrolijk te zweten. Niet voor onze lol, maar voor een kinderlijk ideaal: wij zijn een vorstelijke familie! Wij willen zweten voor de goede zaak.

Corporate identity.

Er staat een auto te wachten voor het stoplicht. De zon staat hoog.  Warme lucht trilt boven het asfalt. Het licht springt op groen. De auto trekt op met piepende banden. Tegelijkertijd gaan alle ramen open. Zes kinderhanden wuiven voor verkoeling en zwaaien naar de wereld: wij zijn het!, de koningskinderen van de aircoclub!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Lieve meneer van Dalen,

Namens alle leerlingen wil ik even zeggen dat wij het jammer vinden dat u weg gaat en dat wij geen gymnastiek meer van u krijgen. Aan de ene kant kunnen wij het ons wel voorstellen. U zult wel moe zijn. Want u bent ook al zo oud. Aan de andere kant is het dus best wel jammer.

Misschien bent u wel moe geworden van ons? Eerlijk zeggen..! Ik denk het eigenlijk niet. Want de meeste leerlingen vinden u gewoon aardig en doen ook aardig tegen u. Als leerlingen de hele dag liggen te zieken omdat ze de pest in hebben, dan lijkt me dat errug vermoeiend. Dan moet je als leraar maar geduldig en netjes blijven. Je kunt dan echt niet zeggen: rot op sukkels, ofzo. Want dan heb je meteen ouders aan de telefoon over dat je een beetje respect moet hebben voor hun lieve kind. Ja hoor!

Ik vind trouwens niet dat u altijd aardig doet, maar meestal wel. U gaat ten minste nooit lopen schelden als wij een beetje druk zijn. Ik heb ook wel kritiek, maar dat stelt eigenlijk niks voor. Ik vind het raar dat de meisjes altijd moeten opruimen. Dat vind ik ouderwets. Maar ja, u bent ook al zo oud. Ik denk dat er bij u thuis alleen maar meisjes zijn en dat die alles doen en zo.

U bent best heel geduldig. Is uw vrouw ook geduldig? Bijvoorbeeld als u weer eens wat vergeten bent. U wél, want je mag een gymoefening altijd weer opnieuw doen. U doet de oefening ook altijd voor. Best knap voor zo’n oude man, vind ik.

Ik vind u wel een soort Sinterklaas. Bent u dat wel eens geweest? Of prins Carnaval, misschien. Dat lijkt me wel grappig. Al prins doet u vast alles heel plechtig. Zo heel deftig, zo’n ouwe prins.

U hebt ook altijd zo’n goed humeur. Nooit eens sjagrijnig ofzo. In de gang zegt u altijd “hallo dames”, terwijl wij toch echt geen dames zijn. Stelletje domme dozen zijn wij soms. Maar u kunt ons altijd goed stil krijgen. Dat vind ik knap. U hebt daar vroeger zeker voor geleerd. En misschien hebt u wel heel veel ervaring met leerlingen die niet kunnen luisteren én ook nog eens niet een behoorlijke gymoefening kunnen doen. Meneer Derks zegt dat u vroeger op de Mariaschool heeft gewerkt. Daar heeft mijn oma ook over verteld. Daar zaten van die – zeg maar – “aparte” kinderen die nooit luisteren en de hele dag tegen zichzelf praten. Maar die kon u toch van alles leren. Dat vind ik vet.

U hebt mij ook een keer geholpen toen ik iets vroeg over dat ik me afvroeg wanneer ik ongesteld zou worden. Omdat bijna alle meiden in de klas daarover zaten te doen. Zo van: ik ben al weer ongesteld! Ja, lekker belangrijk, hoor. Maar ik niet en nooit. Ik was heel daar best wel onzeker over en ik dacht dat ik daar gewoon niet over moest zeuren. Maar ik vond het toch moeilijk en toen dacht ik: ik ga het aan meneer van Dalen vragen. Die weet zoveel en vast ook wel over zulke dingen. Ja oké, ik heb eerst wel een tijdje zitten janken. Maar dat kwam omdat ik al een week ofzo bijna niet kon slapen. En als je weinig slaapt, dan wordt je huilerig. Echt!
Maar u hebt mij toen helemaal gerustgesteld. Ik vond het ook fijn dat ik het durfde vragen en dat ik me ook helemaal niet schaamde. En nu is het ook helemaal goed. Meer wil ik er niet over vertellen, trouwens.

U gaat dus nu met pensioen. Net zoals mijn opa. Ja, niet de ene, want die is al dood. Als je met pensioen gaat, ga je ook dood, maar niet meteen. Je kunt nog best een leuk leven hebben als je maar niet van trap valt ofzo, want dan is meteen je heup gebroken.

Oja ik wou nog iets zeggen wat niet zo leuk is. U doet soms zo raar. Als u de deur op slot doet, dan gaat u nog drie keer terug om te voelen of ie wel echt op slot zit. Dat moet u niet doen waar andere bij zijn, want dat ziet raar uit.

Ja en nog wat: als je gymspullen vergeten bent, dan zegt u: “das kwats”. Dat moet u niet doen, want dan denk ik: die is niet goed bij zijn hoofd.

Maar verder moet ik zeggen: petje af! Tot nu toe bent u de aardigste en beste leraar die ik heb gehad. U bent gewoon een hele aardige en lieve man.

De groeten aan mevrouw van Dalen!
Doei

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Altijd gaat de zon weer op

….in het diepst van mijn gedachten.

In de gang van de studentenflat was het een onvoorstelbare bende. Dat was normaal. Ik snapte al gauw dat ik daar aan moest wennen en dat het kleinburgerlijk was om er een punt van te maken. Als ik thuis kwam van mijn achturige dagtaak als student (sic!), was er altijd leven in de gang en de keuken en in alle kamers. Alle deuren stonden open. Meestal klonk er fantastische muziek, werd er ergens zwaar gediscussieerd of stevig gevreeën, hing er een vette lucht in de keuken en zat er iemand te bellen, meestal Astrid. Wiebe was weer bezig om iets mafs te schilderen op de muur (iets met roze ballonnen en LSD) en Peer stond met de huiskat op zijn arm wat voor zich uit te prevelen.
Ik ben weer thuis.
Peer roept “opzij”, zwaait de kat tussen zijn benen heen en weer, laag over de grond, en laat hem los. De dikke luie kat glijdt over zijn buik enkele meters over het linoleum, staat op en loopt doodgemoedereerd de keuken in. Ik ben gelukkig. Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. De schittering van de adolescentie in een wereld van antiburgerlijkheid.

In elke kamer in deze studentenflat zijn in het midden onder het plafond twee balken bevestigd. De balken dragen plankjes, zodat het eruit ziet alsof onder het plafond een dikke ladder van links naar rechts loopt. Een vondst van de architect. De ‘ladder’ is op alle kamers in gebruik als bergruimte, als kapstok of als anker voor een scheidingsgordijn, kralenkettingen of batiklappen. Ik houd van netjes. Bij mij is de ‘ladder’ leeg.
Maar aan de zijkant heb ik grote vellen wit papier geprikt met een tekst. Deze jong volwassene wil een statement maken. De wereld zal weten waar hij staat. Grote dikke letters.

Altijd gaat de zon weer op,
elke dag is mijn liefde nieuw.

Ik had de tekst niet zelf bedacht maar hij was voor anderen onbekend. Ik wist zeker dat de regels komen uit een boek van Nikos Kazantzakis en ik wist bijna zeker dat het uit ‘Christus wordt weer gekruisigd’ kwam. Nikos moet wel een linkse schrijver zijn geweest, anders had ik het niet gedurfd. En mijn medestudenten waren tevreden over mijn statement. Ik had mijzelf gepositioneerd als een romantische antiburgerlijke filosoof. Mooi!

Vele huisjes, boompjes en beestjes later.

De elektronische handtekening werd uitgevonden. Het begon met vaste onderschriften op webfora en later in e-mail berichten. Op webfora werd het onderschrift gebruikt voor allerhande curieuze en soms geestige wijsheden. Sommige daarvan leken rechtstreeks uit mijn studentenflat te komen, zoals die heel ouwe “This is the first day of the rest of your life”.
In de omgeving van mijn werk werd het onderschrift al snel gebruikt voor het etaleren van de status van de schrijver. Niet alleen het 06- en de website, maar ook de parmantige functiebenamingen van de afzender rukten op. In veel onderschriften lees ik hoe ‘consultant’, hoe ‘senior’ en hoe ‘beleid’ de schrijver is.
Ach ja, al die mensjes die, net zoals ik, gewéldig zijn in het diepst van hun gedachten.

Met een restje antiburgerlijkheid uit een ver verleden maakte ik mijn vaste onderschrift in mijn e-mail berichten.

Altijd gaat de zon weer op…

Met de reacties op dit onderschrift kan ik een dik boek vullen. Het wordt tijd dat ik de tekst schrap. Het aardige is er wel een beetje af en ik ben een rare uitzondering in mijn omgeving. Daar heb ik eigenlijk niet zoveel behoefte meer aan. Wat weerhoudt me?

En dan gebeurt er iets vreemds. Iemand vraagt me waar ik die tekst heb gevonden. “Nikos Kazantzakis”, zeg ik nonchalant. Nooit van gehoord? In zijn dichtbundel? Nee, in een van zijn wereldberoemde romans…
Kun je het niet vinden? Oh.
Ik begin zelf nog eens te zoeken. Eerst Google, dan de Slegte. Ik heb het boek in mijn handen en laat de pagina’s één voor één onder mijn duim schieten. Ik kan niets vinden. Ik duik nog wat dieper in de zoekmachine van Mountain View. Ik vind een digitale versie van “Christus wordt weer gekruisigd”. Geen enkele van de zoekwoorden brengt me bij de twee regels van mijn studentenkamer. Zou de tekst helemaal niet bestaan…?

Ik begin langzaam te wennen aan de mogelijkheid dat ik de tekst zelf heb verzonnen. Glimlachend begin ik te fantaseren dat meneer Kazantzakis helemaal niks heeft bedacht, maar dat het uit mijn fantastische brein komt. Zou ik op die studentenflat een dichter kunnen zijn geweest? En zou ik toen niet kunnen geloven dat ik dat was, en zou ik daarom een bron heb verzonnen die niet bestaat? Mogelijk.

Zou ik dan tóch een dichter zijn?
Ik ben het in ieder geval in het diepst van mijn gedachten. *)

*) zeer vrij naar Willem Kloos

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Voor eeuwig in het bos

Ik moet nog steeds aan haar denken.
Soms.
Bijvoorbeeld op een stille middag in november als de zon strijklicht is over het landschap.
W
eemoed.
Of als ik een bepaalde pianosonate van Beethoven hoor.
Heimwee.
Maar ook als ik mistroostig word door een praatprogramma dat gevuld is met grote ego’s en onbescheidenheid.
Een lichte eenzaamheid.
Dat zijn momenten waarop ik even aan haar denk.

Ze is trots. Vierentachtig jaar oud en trots. Trots op zichzelf, trots op haar leven, op haar huis, op de man waarmee ze al vijftig jaar is en trots op het bos. Ze woont in een bos. Helemaal achterin. Je kunt er met de auto bijna niet komen. De brievenbus staat op twee kilometer van haar huis. De posbode zou wel gek zijn om tot de voordeur te gaan.
Ik wist niet dat zoiets nog bestond: zo afgelegen wonen in een bos. Ik ga ook niet vertellen waar het is, maar het is niet ver van waar ik geboren ben. Het bestaat echt. En zij, zij heet Mia.

Mia is graag buiten. Eigenlijk is het hele bos haar huis. In het stookseizoen sprokkelt ze elke dag hout in het bos, want er is geen aardgas. Waterleiding is er pas tien jaar. Toen haar kinderen nog klein waren gebruikte ze het water uit de beek om te wassen, en het water uit de put om te koken.
Ze vindt het heel leuk als je eens langs komt. “Kom gerust, ik ben altijd buiten” zegt ze dan, terwijl ze bedoelt: ik ben altijd thuis. Ze ontvangt je in het bos buiten, want binnen in het huisje is er nauwelijks ruimte. “En breng vooral de kinderen mee, want die zullen het hier mooi vinden!” Trots is ze. Op zichzelf, op de mens die ze is.

Toen haar kinderen groot waren, ging ze uit werken. Poetsen. Ze poetste in huizen als kastelen met vloeren van marmer en badkamers met apparaten waarvan ze niet kon bedenken waar het allemaal voor diende. Mia vond het maar raar dat mensen zulke grote huizen hadden en dan altijd weg waren. Ze was steeds blij als ze weer thuis was, in de moestuin, bij de kippen en de kat op de vensterbank. Tot haar zeventigste was Mia poetsvrouw. Ze poetste graag en goed! Maar reuma maakte haar stijf en ze kon niet meer werken zonder pijn.

Dat is al weer lang geleden. Ze is nu 84. Ze is nog sterk, maar niet meer zo sterk als ze zou willen zijn. Vorig jaar werd haar man ziek. Hij kreeg een hartaanval en kwam in het ziekenhuis terecht. Doodongelukkig lag hij daar ziek te zijn. En Mia zat aan de rand van zijn bed. De eerste dagen reisde Mia op en neer naar het ziekenhuis: drie kwartier lopen naar de bushalte en dan een halfuur in de bus. Maar na een week ging ze het ziekenhuis niet meer uit. Ze bleef naast haar man zitten en kreeg een kamertje om te slapen.

Zieker en zieker werden ze samen. Maar dat duurde niet lang. Aan het einde van een lange en stille middag sprak ze de eerste de beste verpleegkundige aan: “Ik nim ‘m mee naor huis. Dè’s niks hier. Dieje mens gaot nog dôôd hier.”  De verpleegkundige had geleerd hoe je met dergelijke emoties en de onredelijkheid van verwarde mensen moest omgaan. Hij ging er eens rustig voor zitten en legde Mia uit dat haar man daar achter in het bos verstoken zou zijn van hulp en comfort. Daar in dat verre bos, overal zo ver vandaan en zo.. Maar Mia gaf niet toe: “Mar m’nne God, wè zedde nouw (wat zeg je nou!): overal zô ver vandaon?!!! Hier issie overal ver vandaon. In dè bed en die lange gange en al dè gemompel van de dokters”. Het was een heel gedoe en er kwam nog een dokter bij. Die had ook heel wat geleerd in zijn opleiding, maar zo’n casus als deze kon hij zich niet herinneren. En uiteindelijk kreeg Mia haar zin en ze vond het geen probleem om een verklaring te ondertekenen. Ze was zeker van haar zaak en ze was er van overtuigd dat de beste zorg kon worden geleverd in het bos. Haar bos.

En Mia nam hem mee. Trots op wat ze haar man te bieden had. Haar zoon moest helemaal uit Amsterdam komen om zijn ouders van het ziekenhuis naar het bos te brengen. Ziekenhuizen doen zulke dingen niet, want je kunt van het toegeven aan verwardheid van simpele mensen maar beter geen businesscase maken.
De auto schokte over het smalle bospad onder de laaghangende takken door. En thuisgekomen werd hij in bed gelegd. Zij ging weer bij hem zitten. “Zô, hier hedde gij alles wègge nôdig het.”
Hij knapte op en werd beter, als in een sprookje.
Mia is wijs genoeg om te weten dat hij ook had kunnen sterven, en misschien binnenkort weer ziek zal worden. Maar hij is thuis, in het bos. En daar leven ze nu samen verder.

Het is al 14 jaar geleden dat Mia vierentachtig was. Ze is al weer lang geleden overleden. Haar man stierf kort na haar. Van eenzaamheid, vermoed ik. Ik wil dat eigenlijk niet weten. Ik wil niet weten dat het al zo lang geleden is en ik wil niet weten dat Mia niet meer bestaat.
Ik voel me een kind als ik het zeg, maar Mia moet gewoon nog steeds in het bos wonen. Op Googlemaps zie ik haar huisje. Ze woont er, punt uit! Ik weet het! Ze woont er nog duizend jaar en ze is overal. Mia is de mens zoals die hoort te zijn, dicht bij zichzelf en trots. 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen