Troost?

Op een rustige ochtend in de herfst loopt Bart met vrienden naar school. Ergens onderweg loopt hij een andere kant op. Hij groet zijn vrienden. Van de rest van zijn leven weten we niets. Hij werd gevonden in het veld. Hij moet zichzelf hebben opgehangen aan een boom met de veters uit zijn schoenen.

Het is een krankzinnige gebeurtenis. We nemen afscheid van hem in een kerk die stampvol zit met pubers. Er wordt gesnikt en gesnotterd. Ik voel een loodzware verantwoordelijkheid. Wat moet ik zeggen. Het kan nooit goed zijn. Ik wil iets zeggen dat meer inhoudt dan verbijstering en boosheid. Er moet een perspectief zijn voor deze jonge mensen. Een smal perspectief. Ik kan me niet verlaten op de hemel of een godsdienstig vergezicht: de meeste leerlingen zijn daarin niet opgevoed.
Troost?

“Er is geen troost.
Als ik ziek zou worden en dood zou gaan, zou er troost moeten zijn.
Troost, omdat ik een leven heb gehad: niet al te lang, maar toch. Troost, omdat ik iets geworden ben: ik ben niet over alles tevreden, maar toch.
Troost, omdat van mijn duizend dromen er toch enkele zijn uitgekomen.
Nu Bart dood is, is er geen troost.
Want als je 16 bent, heb je nog geen leven gehad. Je groeit nog. Je droomt nog zo veel. Maar je bent nog zo weinig geworden. Natuurlijk: je bent vrolijk, gezellig, geestig en ondeugend. Maar het is nog maar een begin van wat je allemaal kunt worden.

Er is bijna geen troost.
Als ik ziek zou worden en dood zou gaan, zou er troost moeten zijn.
Ik zou afscheid hebben kunnen nemen. Ik zou gezegd hebben hoeveel ik van jullie houd. Ik zou gezegd hebben dat ik gelukkig ben geweest: niet altijd, maar toch. Ik zou geluisterd hebben naar alles wat jullie nog zou­den willen zeggen.
Nu Bart dood is, is er bijna geen troost. Er is geen afscheid geweest. Simon zag hem nog in de verte. Het was heel gewoon, zoals zo vaak. Het was geen afscheid. Bart’s ouders en Dorien namen geen afscheid. Bart ging naar school. Hij had alleen een klein briefje op zak. Dat is nog iets, maar bijna niets. Bijna helemaal geen afscheid.

Er is een beetje troost.
Er is een beetje troost in alle tranen. In alle tranen sinds vrijdag. In alle tranen van vandaag. Er is een beetje troost in al die klasgenoten en vrienden die dicht bij elkaar kruipen. Die elkaar niet loslaten. Al die jongens en meisjes die samen de schok willen opvangen, die bezorgd zijn voor elkaar. Dat is een beetje troost.

En er is iets meer troost.
Er is iets meer troost in onszelf. In onze gesprekken met Bart, vanaf het moment dat hij verdween. Bart waar zit je toch? Wat doe je nu? Waarom laat je niets horen? Er is iets meer troost in onszelf. Omdat wij niemand alleen willen laten.

Er is nog meer troost.
Omdat wij Bart roepen en smeken ons te helpen. Wij willen niet alleen Bart helpen. Wij willen dat Bart ons ook helpt. Bart, leg ons uit waarom je zo bent weggegaan. Ben je zo bang? Wij zijn ook wel eens bang.
Ben je zo alleen? Wij zijn ook wel eens alleen. Ben je van binnen zo in de war, of zo verdrietig? Heb je dat aan niemand durven vertellen?

Er is troost Bart!
Er is troost.
Omdat wij voelen hoe belangrijk wij voor elkaar zijn. Omdat wij voelen hoe belangrijk het leven is. Dat gevoel heb jij niet weggenomen, dat heb je ons eerder gegeven!
Als je dit hier eens zou kunnen zien. Als je eens zou kunnen zien hoe wij hechten aan het leven. Hoe wij hechten aan elkaar. Hoe wij hechten aan jou.

Dat is troost.”

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s