Voor eeuwig in het bos

Ik moet nog steeds aan haar denken.
Soms.
Bijvoorbeeld op een stille middag in november als de zon strijklicht is over het landschap.
W
eemoed.
Of als ik een bepaalde pianosonate van Beethoven hoor.
Heimwee.
Maar ook als ik mistroostig word door een praatprogramma dat gevuld is met grote ego’s en onbescheidenheid.
Een lichte eenzaamheid.
Dat zijn momenten waarop ik even aan haar denk.

Ze is trots. Vierentachtig jaar oud en trots. Trots op zichzelf, trots op haar leven, op haar huis, op de man waarmee ze al vijftig jaar is en trots op het bos. Ze woont in een bos. Helemaal achterin. Je kunt er met de auto bijna niet komen. De brievenbus staat op twee kilometer van haar huis. De posbode zou wel gek zijn om tot de voordeur te gaan.
Ik wist niet dat zoiets nog bestond: zo afgelegen wonen in een bos. Ik ga ook niet vertellen waar het is, maar het is niet ver van waar ik geboren ben. Het bestaat echt. En zij, zij heet Mia.

Mia is graag buiten. Eigenlijk is het hele bos haar huis. In het stookseizoen sprokkelt ze elke dag hout in het bos, want er is geen aardgas. Waterleiding is er pas tien jaar. Toen haar kinderen nog klein waren gebruikte ze het water uit de beek om te wassen, en het water uit de put om te koken.
Ze vindt het heel leuk als je eens langs komt. “Kom gerust, ik ben altijd buiten” zegt ze dan, terwijl ze bedoelt: ik ben altijd thuis. Ze ontvangt je in het bos buiten, want binnen in het huisje is er nauwelijks ruimte. “En breng vooral de kinderen mee, want die zullen het hier mooi vinden!” Trots is ze. Op zichzelf, op de mens die ze is.

Toen haar kinderen groot waren, ging ze uit werken. Poetsen. Ze poetste in huizen als kastelen met vloeren van marmer en badkamers met apparaten waarvan ze niet kon bedenken waar het allemaal voor diende. Mia vond het maar raar dat mensen zulke grote huizen hadden en dan altijd weg waren. Ze was steeds blij als ze weer thuis was, in de moestuin, bij de kippen en de kat op de vensterbank. Tot haar zeventigste was Mia poetsvrouw. Ze poetste graag en goed! Maar reuma maakte haar stijf en ze kon niet meer werken zonder pijn.

Dat is al weer lang geleden. Ze is nu 84. Ze is nog sterk, maar niet meer zo sterk als ze zou willen zijn. Vorig jaar werd haar man ziek. Hij kreeg een hartaanval en kwam in het ziekenhuis terecht. Doodongelukkig lag hij daar ziek te zijn. En Mia zat aan de rand van zijn bed. De eerste dagen reisde Mia op en neer naar het ziekenhuis: drie kwartier lopen naar de bushalte en dan een halfuur in de bus. Maar na een week ging ze het ziekenhuis niet meer uit. Ze bleef naast haar man zitten en kreeg een kamertje om te slapen.

Zieker en zieker werden ze samen. Maar dat duurde niet lang. Aan het einde van een lange en stille middag sprak ze de eerste de beste verpleegkundige aan: “Ik nim ‘m mee naor huis. Dè’s niks hier. Dieje mens gaot nog dôôd hier.”  De verpleegkundige had geleerd hoe je met dergelijke emoties en de onredelijkheid van verwarde mensen moest omgaan. Hij ging er eens rustig voor zitten en legde Mia uit dat haar man daar achter in het bos verstoken zou zijn van hulp en comfort. Daar in dat verre bos, overal zo ver vandaan en zo.. Maar Mia gaf niet toe: “Mar m’nne God, wè zedde nouw (wat zeg je nou!): overal zô ver vandaon?!!! Hier issie overal ver vandaon. In dè bed en die lange gange en al dè gemompel van de dokters”. Het was een heel gedoe en er kwam nog een dokter bij. Die had ook heel wat geleerd in zijn opleiding, maar zo’n casus als deze kon hij zich niet herinneren. En uiteindelijk kreeg Mia haar zin en ze vond het geen probleem om een verklaring te ondertekenen. Ze was zeker van haar zaak en ze was er van overtuigd dat de beste zorg kon worden geleverd in het bos. Haar bos.

En Mia nam hem mee. Trots op wat ze haar man te bieden had. Haar zoon moest helemaal uit Amsterdam komen om zijn ouders van het ziekenhuis naar het bos te brengen. Ziekenhuizen doen zulke dingen niet, want je kunt van het toegeven aan verwardheid van simpele mensen maar beter geen businesscase maken.
De auto schokte over het smalle bospad onder de laaghangende takken door. En thuisgekomen werd hij in bed gelegd. Zij ging weer bij hem zitten. “Zô, hier hedde gij alles wègge nôdig het.”
Hij knapte op en werd beter, als in een sprookje.
Mia is wijs genoeg om te weten dat hij ook had kunnen sterven, en misschien binnenkort weer ziek zal worden. Maar hij is thuis, in het bos. En daar leven ze nu samen verder.

Het is al 14 jaar geleden dat Mia vierentachtig was. Ze is al weer lang geleden overleden. Haar man stierf kort na haar. Van eenzaamheid, vermoed ik. Ik wil dat eigenlijk niet weten. Ik wil niet weten dat het al zo lang geleden is en ik wil niet weten dat Mia niet meer bestaat.
Ik voel me een kind als ik het zeg, maar Mia moet gewoon nog steeds in het bos wonen. Op Googlemaps zie ik haar huisje. Ze woont er, punt uit! Ik weet het! Ze woont er nog duizend jaar en ze is overal. Mia is de mens zoals die hoort te zijn, dicht bij zichzelf en trots. 

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s