Altijd gaat de zon weer op

….in het diepst van mijn gedachten.

In de gang van de studentenflat was het een onvoorstelbare bende. Dat was normaal. Ik snapte al gauw dat ik daar aan moest wennen en dat het kleinburgerlijk was om er een punt van te maken. Als ik thuis kwam van mijn achturige dagtaak als student (sic!), was er altijd leven in de gang en de keuken en in alle kamers. Alle deuren stonden open. Meestal klonk er fantastische muziek, werd er ergens zwaar gediscussieerd of stevig gevreeën, hing er een vette lucht in de keuken en zat er iemand te bellen, meestal Astrid. Wiebe was weer bezig om iets mafs te schilderen op de muur (iets met roze ballonnen en LSD) en Peer stond met de huiskat op zijn arm wat voor zich uit te prevelen.
Ik ben weer thuis.
Peer roept “opzij”, zwaait de kat tussen zijn benen heen en weer, laag over de grond, en laat hem los. De dikke luie kat glijdt over zijn buik enkele meters over het linoleum, staat op en loopt doodgemoedereerd de keuken in. Ik ben gelukkig. Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. De schittering van de adolescentie in een wereld van antiburgerlijkheid.

In elke kamer in deze studentenflat zijn in het midden onder het plafond twee balken bevestigd. De balken dragen plankjes, zodat het eruit ziet alsof onder het plafond een dikke ladder van links naar rechts loopt. Een vondst van de architect. De ‘ladder’ is op alle kamers in gebruik als bergruimte, als kapstok of als anker voor een scheidingsgordijn, kralenkettingen of batiklappen. Ik houd van netjes. Bij mij is de ‘ladder’ leeg.
Maar aan de zijkant heb ik grote vellen wit papier geprikt met een tekst. Deze jong volwassene wil een statement maken. De wereld zal weten waar hij staat. Grote dikke letters.

Altijd gaat de zon weer op,
elke dag is mijn liefde nieuw.

Ik had de tekst niet zelf bedacht maar hij was voor anderen onbekend. Ik wist zeker dat de regels komen uit een boek van Nikos Kazantzakis en ik wist bijna zeker dat het uit ‘Christus wordt weer gekruisigd’ kwam. Nikos moet wel een linkse schrijver zijn geweest, anders had ik het niet gedurfd. En mijn medestudenten waren tevreden over mijn statement. Ik had mijzelf gepositioneerd als een romantische antiburgerlijke filosoof. Mooi!

Vele huisjes, boompjes en beestjes later.

De elektronische handtekening werd uitgevonden. Het begon met vaste onderschriften op webfora en later in e-mail berichten. Op webfora werd het onderschrift gebruikt voor allerhande curieuze en soms geestige wijsheden. Sommige daarvan leken rechtstreeks uit mijn studentenflat te komen, zoals die heel ouwe “This is the first day of the rest of your life”.
In de omgeving van mijn werk werd het onderschrift al snel gebruikt voor het etaleren van de status van de schrijver. Niet alleen het 06- en de website, maar ook de parmantige functiebenamingen van de afzender rukten op. In veel onderschriften lees ik hoe ‘consultant’, hoe ‘senior’ en hoe ‘beleid’ de schrijver is.
Ach ja, al die mensjes die, net zoals ik, gewéldig zijn in het diepst van hun gedachten.

Met een restje antiburgerlijkheid uit een ver verleden maakte ik mijn vaste onderschrift in mijn e-mail berichten.

Altijd gaat de zon weer op…

Met de reacties op dit onderschrift kan ik een dik boek vullen. Het wordt tijd dat ik de tekst schrap. Het aardige is er wel een beetje af en ik ben een rare uitzondering in mijn omgeving. Daar heb ik eigenlijk niet zoveel behoefte meer aan. Wat weerhoudt me?

En dan gebeurt er iets vreemds. Iemand vraagt me waar ik die tekst heb gevonden. “Nikos Kazantzakis”, zeg ik nonchalant. Nooit van gehoord? In zijn dichtbundel? Nee, in een van zijn wereldberoemde romans…
Kun je het niet vinden? Oh.
Ik begin zelf nog eens te zoeken. Eerst Google, dan de Slegte. Ik heb het boek in mijn handen en laat de pagina’s één voor één onder mijn duim schieten. Ik kan niets vinden. Ik duik nog wat dieper in de zoekmachine van Mountain View. Ik vind een digitale versie van “Christus wordt weer gekruisigd”. Geen enkele van de zoekwoorden brengt me bij de twee regels van mijn studentenkamer. Zou de tekst helemaal niet bestaan…?

Ik begin langzaam te wennen aan de mogelijkheid dat ik de tekst zelf heb verzonnen. Glimlachend begin ik te fantaseren dat meneer Kazantzakis helemaal niks heeft bedacht, maar dat het uit mijn fantastische brein komt. Zou ik op die studentenflat een dichter kunnen zijn geweest? En zou ik toen niet kunnen geloven dat ik dat was, en zou ik daarom een bron heb verzonnen die niet bestaat? Mogelijk.

Zou ik dan tóch een dichter zijn?
Ik ben het in ieder geval in het diepst van mijn gedachten. *)

*) zeer vrij naar Willem Kloos

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s