De stoommachine

Zo ziet de onschuld van de jeugd er uit.

Het feest van Sinterklaas was voor mijn generatie het feest van de ongekende spanning die zich ontlaadt in de zeer vroege ochtend van 6 december als, na gewekt te zijn door een nog zenuwachtiger broertje of zusje en samen de trap af naar beneden geslopen, bibberend in je hele lijf, de kamerdeur wordt geopend, de lamp wordt aangemaakt en in het felle licht een hele grote tafel staat, die is gedekt met een wit tafellaken, en die helemaal vol staat met allerlei kleurrijke dingen. Speelgoed en snoep.
Gelovigen en ongelovigen zoeken snel naar hun eigen verzameling, hun eigen territorium. Als je niet zeker weet of het jouw deel is, dan zoek je snel de chocolade letter. Is het mijn letter? Staat er iets bij dat op mijn lijstje stond. En dan, nog vóórdat de kleinste teleurstelling kan opduiken omdat er iets niet bij is of omdat de berg snoep bij de buurman net iets groter lijkt (dat kan helemaal niet want onze moeder was ziekelijk consciëntieus bij het verdelen van chocolade, taai en marsepein), dan is er dat moment van gelukzaligheid, waarvan je vele weken hebt gedroomd.

Een maand eerder. Ik ben een jongen van elf of twaalf jaar. Ik ben alleen en dwaal door de binnenstad van ’s-Hertogenbosch. Ik weet wat ik zoek en ik zou dat geen kinderlijke onschuld willen noemen. Bij Vroom & Dreesmann ga ik naar speelgoed kijken. Ik droom van een stoommachine. In mijn herinnering staat er bij V&D een stoommachine onder een glazen stolp. Die glazen stolp heb ik er vast en zeker bij verzonnen. Maar hij was zeker onbereikbaar: je mocht er niet aankomen. De stoommachine roept allerlei fantasieën bij me op. Ik zie mezelf ermee spelen, apparaatjes in beweging, het vuurtje onder de ketel opstoken en stoom laten ontsnappen met een snerpend fluitsignaal. Ik ben de machinist en de uitvinder van bewegende machines en poppetjes. Ik word een uitvinder en mijn buurjongen zal ik versteld doen staan. Ja,ja ik heb een stoommachine. De stoommachine lijkt me heel erg duur. Ik weet niet of ik die wel mag vragen. Mijn vader heeft een goede baan, maar ook heel veel kinderen en we zijn altijd heel erg zuinig. Mijn moeder warmt ’s morgens de koffie van de vorige dag op. Dat doet ze echt niet voor haar lol. Dat is pure zuinigheid!

Op mijn lijstje voor Sinterklaas schrijf ik dat ik de stoommachine graag wil hebben, maar niet als hij te duur is. Ik probeer daarna van de gezichten van mijn vader en moeder af te lezen of ik een onredelijk kind ben. Ze zeggen er niets over. Of je wensen uit komen blijft een geheim. Ik blijf desondanks hopen op een knipoog of een glimlach, maar als die er komt, dan is er toevallig een andere aanleiding en dan weet ik niet of die knipoog ook geldt voor de legitimiteit van mijn wensenlijstje. Ondertussen frequenteer ik Vroom & Dreesmann. De stoommachine staat er nog steeds. Als het de enige is, dan is het een slecht teken… Aan de andere kant fantaseer ik er op los bij elk weerzien met dit onbereikbare speelgoed. Wat zal Guus opkijken. Hij moet wel overal afblijven. Anders had hij zelf maar een stoommachine moeten vragen. En zijn vader kan het gemakkelijk betalen. Dat weet ik zeker. Die heeft een Mercedes.
Als 6 december dichter bij komt, loopt spanning op. Ik denk dat ze bij Vroom & Dreesmann toch maar één zo’n stoommachine hebben. Anders zou die ook niet onder zo’n glazen stolp staan! Maar dan zal die ook wel heel duur zijn..

Op het gelukzalige moment in de vroege ochtend van 6 december staat er een stoommachine op mijn deel van de tafel. Mijn droom is uitgekomen en kan niet wachten om aan het werk te gaan. Later op dag – ik moet de ‘Esbit’-blokjes aansteken en dat durf ik niet alleen – draait het grote wiel van de stoommachine en geeft de stoomfluit een schril geluid.

Het is een rot ding! Er deugt helemaal niets van. De watertank lekt en het wiel loop steeds vast. De apparaatjes die er bij horen en die ik zou willen laten bewegen, bewegen helemaal niet. Ze zijn van lelijk dun blik. Ze vallen om en de elastiekjes waarmee ze aan het grote wiel vast zitten lopen vast of springen los. Binnen een dag ben ik totaal van slag. Ik kan met mijn teleurstelling nergens heen, niet naar Vroom & Dreesmann en zeker niet naar mijn vader of moeder. Wat zullen ze niet betaald hebben!? Misschien hebben ze aan mij wel veel meer geld besteed dan aan mijn broers en zussen, omdat zij het ook zo’n wonderbaarlijk apparaat vonden, en zij ook zouden gaan genieten van de wijd open gesperde ogen van Guus, als die op bezoek zou komen bij hun zoon, de grote uitvinder.

Een paar jaar later krijg ik een eigen slaapkamer, omdat mijn broer gaat studeren. Eindelijk. Opgeruimd staat netjes! Op mijn nieuwe eigen kamer staat een opklapbed onder een houten ombouw. Daar bovenop staat mijn stoommachine. Ik heb er nooit meer iets mee gedaan. Hij staat daar maar een beetje schuldig en ondankbaar te wezen. Het stomme ding geeft me een rot gevoel, maar het móet er blijven staan. Ik moet me blijven herinneren dat ik mijn ouders een poot heb uitgedraaid voor een nep ding. Het is mijn boetedoening. Zo gaat dat als je maar wat loopt te dromen en je je door je eigen gedachten maar wat wijs hebt laten maken. En dat je ook nog Guus zijn ogen had willen uitsteken! Zo laag!
Dus voor straf kijk je elke dag naar het symbool van je eigen ondankbaarheid en je eigen hebzucht. Net goed!

Ik denk dat ik vijftien jaar was, of misschien wel zestien, toen ik de moed had om het apparaat in een doos te stoppen en achter in de kast te zetten. De asseccoires had ik trouwens al veel eerder weg gegooid, toen ik nog een onschuldig kind was.
Maar wel stiekem.
Want echt onschuldig ben ik nooit geweest.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Handcrème

In mijn klas zitten twaalf kinderen. Het zijn kwetsbare persoonlijkheden. Ze hebben weinig vermogens en ze zijn opgegroeid in zwak sociale of moeilijke omstandigheden. Als ze al uit een normaal gezin komen, hebben ze weinig meegekregen om met trots en vertrouwen in de wereld te staan. Twee jongens vragen voortdurend om aandacht: Erdem en Tuan. Ze zijn druk, ongeconcentreerd en agressief. Als ze bij elkaar in de buurt zijn, vechten of schelden ze. “Vieze turk” en “hoerenjong” zijn nog zwakke toevoegingen. Maar ik vind ze aandoenlijk, onbeholpen en kwetsbaar. Ik heb een authentieke neiging om met ze te stoeien. Ik wil ze in de houdgreep nemen, of gemoedelijk een stomp geven tegen hun bovenarm. Maar ik ben voorzichtig.

Leraren moeten van hun leerlingen afblijven. Dat gebod heeft altijd gegolden, maar de samenleving is op dit punt veel alerter geworden. Leraren zijn ook alerter geworden. Er zijn situaties waarin een troostende hand of een beschermende arm gewenst zou zijn. Maar leraren kijken wel uit! Als je in een kamer alleen bent met een kind, dan laat je de deur openstaan. Spreekkamers hebben vaak een glazen wand. Bijles geef je liever aan twee kinderen dan aan één kind. Mannen zijn nog voorzichtiger dan vrouwen. Het is begrijpelijk, maar het is ook jammer. Een gebaar kan veel krachtiger zijn dan woorden. Lichamelijk contact bij verdriet of ongeluk komt beter binnen dan tekst. Maar er gaat te veel mis. En daarom is lichamelijk contact taboe.

Ik geef het vak Verzorging aan deze klas. Ik moet daarbij een diepere laag in mijn docentschap aanboren. Want van kennisoverdracht kan geen sprake zijn. Er is ook geen boek, er is geen leerstof, geen werkboek. Ik ben gericht op een goede sfeer, op ‘samen doen’. Ik wil dat ze zich veilig voelen. En dat ze positieve ervaringen opdoen. Ik wil ze helpen te groeien.
We koken. In het weekend zoek ik gemakkelijke recepten en ik verzamel ingrediënten. Mijn vrouw kijkt verbaasd toe: thuis kook ik nooit. En met mijn klas maak ik havermoutkoeken!
Het gaat soms moeizaam. Erdem zet een kraan open en Tuan houdt zijn duim tegen de opening. Dweilen! Tuan gooit een handdoek om de nek van Erdem en probeert hem te lynchen. Achter het behang!
De andere kinderen nemen geen deel aan deze oorlogjes. De meesten hebben genoeg aan zichzelf of ze hangen aan mij. “Meneer, Erdem heeft vanmorgen al een hele zak chips op!” “Dat is toch ongezond?!” “Ja, Bas, je hebt helemaal gelijk.” Ik pak ‘m bij zijn schouder om mijn compliment kracht bij te zetten.
Contact.

Maar vaak ook heb ik ze allemaal in mijn zak. Ook Tuan en Erdem. Dan zijn ze geconcentreerd bezig met sla en olie en azijn (en veel suiker!). Dan eten ze iets, dat ze thuis nooit op tafel hebben. “Mijn vader zegt dat sla konijnenvoer is.”
Er zijn ook de momenten dat ik trots ben op mijn twee toppers. Ze moeten de torso weer in elkaar zetten. Ze overleggen met elkaar over maag en lever. De maag past niet aan de linkerkant. “Meneer, zit de maag bij Turken ook links?” Ik moet er om lachen en de klas is gelukkig met zoveel vrolijkheid.

En die ene les.
Die les zal ik nooit meer vergeten. Ik hou veel van deze kinderen. Maar dat ik een brok in mijn keel zou krijgen.. Nadat de klas met het bekende rumoer, geduw en getrek het lokaal verlaten had, heb ik nog minuten lang voor me uit zitten kijken.
Voor mij op mijn bureau een doos handcrème.
Hoe eenvoudig kan het zijn!
Contact maken.
Met handcrème.

De les ging over wratten, sproeten, puistjes, blauwe plekken, schaafwonden en jeuk. Ik weet niet meer precies hoe ik het allemaal had georganiseerd. Maar ik had foto’s en werkbladen. En ik had een zeer geïnteresseerd gehoor. Nou ja, gehoor… Steeds vijf minuten luisteren en dan moesten ze weer iets doen.
Ik had me voorgenomen dat ik geen voorbeelden uit de klas wilde zien. Resoluut. Want vóór je het weet rukt een van de toppers aan een kledingstuk van een ander op zoek naar een cutane anomalie. Geen lichamelijkheid, alsjeblief! Ik had al eerder meegemaakt hoe gretig ziektes uit eigen familie werden besproken. Om maar niet te spreken over afwijkingen bij Turken en kampers…

Ik had vlak voor de les bij toeval ontdekt dat er in de kast manicuursetjes lagen. En een doos handcrème. Leuk voor de laatste tien minuten van de les. “Als je klaar bent met het verzorgen van je nagels, kom je bij mij en dan zal ik je handen insmeren met handcrème.”
Wat zeg ik nu?!

Ze zitten allemaal druk te rommelen met de etuitjes: schaartje, vijltje en zo’n ding voor je nagelriem. Binnen vijf minuten staat Erdem voor me. Hij steekt zijn handen vooruit en straalt. Ik smeer zijn handen zorgvuldig in met de dunne crème. Die andere topper staat al te wachten. En als ik de handen van Tuan behandel, vormt zich een keurige rij achter hem: Jill, Geert, Sahid, Mieke, alle tien.
En een voor een steken ze hun handen naar me uit. Met een bedeesde blik, of wat verlegen gegrinnik. Maar zonder aarzeling. Met overtuiging zelfs. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is sta ik daar twaalf paar handen te zalven. Ik vind het heerlijk.
In een andere laag van mijn bewustzijn loert een lichte twijfel: is dit wel in de haak? Maar mijn twijfel verdampt al snel. Ik zie dat Erdem weer achteraan in de rij gaat staan! Als hij aan de beurt is, smeer ik voor de tweede keer zijn handen in.
We zeggen allebei niets.
Een blik van verstandhouding.
Ik ben ontroerd.

Triomfantelijk en met opgestoken handen loopt hij naar Tuan. Die springt overeind en stuift op me af. Zijn handen uitgestoken.
En dan gaat de bel. Ik ben gered.
Ik had nog vele handen willen zalven.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Kloosterlingen zonderlingen?

Er zijn bijna geen kloosters meer. Er zijn nog maar weinig kloosterlingen, die jonger zijn dan 65 jaar. Weten we wel waarom dat zo is? Volgens mij niet. Er zijn genoeg oppervlakkige antwoorden: secularisatie, individualisering, ontkerkelijking, sexuele revolutie, en ga zo maar door. Toch blijven dieper liggende vragen  onbeantwoord. Is de mens in vijftig jaar tijd in zijn dromen en idealen veranderd? Voorzag het klooster in een wezenlijke behoefte en is die behoefte er nu niet meer? Of wordt er op een andere wijze in voor­zien? Waren zij gelukkig? Zijn wij ongelukkig zonder grote aantallen kloosterlingen? Zou in onze tijd voor een aantal mensen een klooster een betere bestemming zijn, dan hun huidige bestemming?

Men sprak vroeger van de “roeping” voor het kloosterleven. Er zou dus sprake zijn van een bepaalde keuze. Maar was dat ook zo? Er valt in het leven niet zo veel te kiezen. Dat is nu zo, en dat was vroeger zeker ook zo, sterker nog: er was nóg minder te kiezen. De zoon van de bakker werd bakker, en als hij niet kon bakken, dan ging hij het klooster in. Dit is anekdotisch gesteld, maar in de kern kwam het daar in een aantal gevallen op neer. Ook bij het geluksgevoel van kloosterlingen kan men kanttekeningen plaatsen. Er was in kloosters net zoveel chagrijn als op de boerderij of in het herenhuis van de notaris. Er waren veel ongelukkigen in het klooster, zoals die er waren en zijn in alle hoeken van de samenleving. Er waren heiligen en dwazen, er waren mannen en vrouwen die in grote innerlijke vrede hun leven in het klooster doorbrachten en er waren natuurlijk ook de zieken van geest, mensen die aan zichzelf absurde eisen stelden om “vorm te geven aan hun verbonden­heid met de Gekruisigde”.

Lize Stilma (“Vrijwillig levenslang”, 1967) beschrijft het leven van de Trapistinnen, die zusters die nooit spraken – inmiddels is de zwijgplicht afgeschaft. Zij lazen kranten en tijdschriften en leefden mee met wat er in de wereld gebeurde. Maar zij spraken niet. Zij beschouwden het zwijgen als het ware als de bodem van het leven, waarin de tijd tot rijpheid komt. Wij kunnen ons nu in termen van nut en maatschappelijk belang niets voorstellen bij de zin die deze zusters daaraan toekenden. De zusters daarentegen hadden daar geen enkele moeite mee. Zij voelden zich ertoe geroepen. Zij hadden een stem gehoord en een belofte gedaan.

Natuurlijk was vroeger de overgang van het burgerieven naar het kloosterleven minder groot dan tegenwoordig. Veel mannen en vrouwen die intraden, verwis­selden de ene kleine wereld voor de andere. De wereld van de afgelegen boerderij of het zeer besloten gezin voor de wereld van een afgelegen klooster. In onze tijd is de overgang naar het besloten leven van een klooster een onmetelijk grote geworden. De wereld van het burgerieven is erg groot geworden: ruim, afwisselend en vol prikkels. Jonge mensen van 16 of 18 jaar kunnen zich absoluut niet voorstellen dat 50 jaar geleden vele van hun leeftijds­genoten kozen voor het klooster. Maar, velen van hen kunnen zich ook helemaal niet voorstellen dat er mensen zijn die geen TV hebben.

Als je woont in Eindhoven, werkt bij Dynabite, boodschappen doet bij de Lidl en driemaal per jaar op vakantie gaat, dan is je wereld groot. Maar hoe zit het met je innerlijke wereld? Is die zoveel groter geworden? Ik betwijfel het. De innerlij­ke wereld van een kloosterzuster kan veel groter zijn dan van de CEO van KPN, of van een puissant rijke BN-er.

Waar gaat het eigenlijk om in ons leven? In het niet zo dat wij proberen om ons zelf te verwerkelijken en ons zelf te ontplooien? Natuurlijk, maar daarbij maken wij gemakkelijk een vergissing. Immers wij ontplooien ons zelf niet door de materiële omgeving die wij om ons heen scheppen. Nee andersom: de materiële wereld die wij inrichten, moet onze ontplooiing mogelijk maken. Dat is een klein maar essentieel verschil. De wereld die wij hebben gemaakt –  op zondag in je Cabrio naar de Golfclub – moet dienen voor onze eigen ontplooiing: de zoektocht naar onze eigen identiteit. In veel, heel veel gevallen is onze omgeving niet meer een middel maar een doel: het object van onze ontplooiing. Daarom kunnen velen alleen maar met afschuw denken aan een leven binnen de kloostermuren: een materiële omgeving die zo arm is, en zo kaal, hoe kan een mens daar tot ontplooiing komen….?

Wij hoeven geen gelofte van armoede af te leggen of het celibaat aan te nemen of een leven lang te zwijgen. Maar we moeten ook niet onze omgeving verwarren met onze innerlijke wereld, onze identiteit. Onze materiële rijkdom, ons vertier, onze leefruimte, is niet het zelfde als onze innerlijke rijkdom. Integendeel. Het is vaak een alibi voor het streven naar innerlijke rijkdom, naar innerlijke groei. Zo zouden wij veel kunnen leren van de mens, waarvan er niet veel meer zijn: de kloosterling.

Waren zij zo zonderling, die kloosterlingen? Onze cultuur is sterk veranderd. Veel primitieve angsten hebben we overwon­nen, veel knellende gedragspatronen zijn verdwenen, veel onderdrukkende gezagstructuren bestaan niet meer. We zijn vooruit gegaan. Maar de nieuwe mens moet niet al zijn oude wortels doorsnijden, voordat hij nieuwe heeft gevormd.
Kloosterlingen associëren wij met voorbije tijden.

Niet alles daarvan mag voorbij zijn.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

De kersentak

Ik weet niet hoe een kersentak er uitziet. Ja, ik ken kersen en ik weet hoe ze smaken. Duhh! Maar een kersentak kan ik niet onderscheiden van een tak van een appelboom. Er zijn heel veel mensen die dat wel kunnen. Het zijn mensen die leven tussen appelbomen en kersenbomen. Het zijn kleine boeren, arme mensen van het platteland in landen van Zuid Oost Europa. Het zijn de bewoners van kleine dorpjes waar mensen moeten leven van de opbrengst van het land. Het zijn arme streken zonder megastallen. Je zou het romantisch kunnen noemen, maar wij willen er niet leven. Wij kunnen er niet goed leven. Wij missen er al die dingen die in welvarende landen zo gewoon zijn. Zoals kipfilet van de supermarkt.

Maar die arme boeren op het platteland van Bosnië weten hoe een kersentak er uitziet. Zij weten hoe zo’n tak voelt en hoe het ruikt als je een twijgje afscheurt. Zij zijn er gelukkig, als de oogst meevalt, als de familie gezond is en als de winter niet te lang duurt. Zij hebben lief en genieten van een borrel en van de avondzon. Ze zouden nergens anders willen wonen, tenzij er oorlog komt.

Maar er komt oorlog.
En op een dag moeten alle gezinnen uit het dorp vluchten. Alle vaders en moeders, alle kinderen en alle oude mensen. Omdat ze moslim zijn of omdat ze nou juist geen moslim zijn, of omdat ze moeten ‘oprotten naar hun eigen land’. Wie niet kan vluchten wordt vermoord. Alle huizen worden verwoest en in brand gestoken. De oogst wordt gestolen. Er blijft een onbewoonbare verweesde en treurige wereld over. Er woont niemand meer.

Na lange tijd komt een kleine vrachtwagen het verwoeste dorp binnen rijden. Ik ben er getuige van. Het is geen oorlog meer. Er klimmen mannen en vrouwen uit de auto. Het is duidelijk: ooit woonden zij hier. Er zijn ook kinderen bij. De kinderen rennen rond, terwijl hun ouders zich oriënteren. Ze wijzen elkaar het ene na het andere verwoeste huis. Ze lijken niet geschokt. Ze wisten het. Ze wisten dat hun vertrouwde dorp een woestijn van puin en verwilderde akkers zou zijn geworden.

Een van de mannen loopt op mij af. Hij is klein van stuk en ik kan zijn leeftijd niet schatten. Hij gebaart me met hem mee te lopen. Ik moet iets zien. Ik kan me niet voorstellen wat er nog te zien valt. Ik ben er al een halve dag en ik heb alles gezien. Het puin, de rotzooi, geblakerde resten van meubels. Ik loop met hem mee. Er loopt nog een jongen van een jaar of 16 met ons mee. “How are you, sir?” Het zal zijn zoon wel zijn, raad ik.  De man stopt bij een droevige bouwval. Inderdaad, die had ik al gezien. Het zal zijn huis zijn geweest, vermoed ik. Ik meen iets in zijn ogen te zien dat op trots lijkt. Hier woon ik! En nu? Ik wacht geduldig terwijl hij over wat puin klautert en door de ruïne loopt. Hij snapt dat ik hem niet volg. Ik ben bang dat ik val en mijn dure camera schade oploopt.

Hij komt terug en heeft een tak in zijn hand. Als hij dichterbij is, zie ik dat er een paar zielige trosjes kersen aan de tak zitten. Ik heb hem goed in beeld. Intuïtief zoom ik in op zijn gezicht. Hij heeft een grappige luchtige blik in zijn ogen. Je kunt het nog net geen glimlach noemen.
Het is trots.
Trots van een man die alles heeft moeten achterlaten en weer terug is.
Terug in zijn eigen leven.
Als hij vlak voor me staat, laat ik de camera zakken. Dat doe ik niet goed, blijkt uit zijn reactie. De kersentak moet in beeld.
“You make picture of that.”, helpt mijn jonge tolk.
“our land”
“our life”

Ik doe wat mij gevraagd wordt.
Ik film een kersentak.
Minuten lang.
En ondertussen probeer ik te bedenken wat ik thuis met dit beeld moet. Want wat is voor ons een kersentak?
Wij hebben meer met kipfilet.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Femke fietst de wereld uit.

Bij het afscheid van een leerling.

Op 1 mei fietst Femke de wereld uit. Ze is achttien jaar. Ze heeft haar diploma al bijna op zak. Voor haar examenvakken heeft ze achten en negens. Ze zit al bijna op kamers. Ze heeft haar eerste zelfgemaakte broek aan. Het is mooi weer.
En dan is het afgelopen.

Het is niet te aanvaarden.
Eén week voor het begin van het eindexamen moeten alle klasgenoten zomaar aanvaarden dat het leven ineens ophoudt, plotseling, als een flits van het onweer waarmee die mooie dag eindigt. Het is niet te begrijpen en niet te aanvaarden. Maar wij moeten er wat mee.

Stokstijf stilstaan en ademloos verbitterd zijn, dat maakt leeg en eenzaam.

Laten we als troost en als een poging om te aanvaarden, terugkijken op het
leven van Femke. Femke leefde kort. Ze leefde met geweld, alsof ze wist dat het leven voor haar niet lang zou duren.
Femke was zeer zelfbewust en duidelijk aanwezig. Zoals haar vader zegt: ze ging nooit opzij als je haar ontmoette op de trap. Spel? Of: hier ben ik, ik ben Femke en ik leef!
Over alles had ze een uitgesproken mening. En eerlijk gezegd: ze had vaak gelijk, al zou je dat soms niet willen toegeven. Stijfkoppig! Eigengereid!
Femke was erg intelligent. Dat is geen verdienste, ze was het gewoon. Maar ze deed veel met haar intelligentie. Dat was haar verdienste.

Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op een standaard zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn.

Fanatieke Femke. Ze was eerzuchtig. Ze was niet bang, niet bang voor de confrontatie. Ze zei de dingen recht voor zijn raap, helder en vasthoudend. Ze was zo krachtig.

Minder weten wij van haar binnenkant. Was ze zo zeker als ze zich voordeed? Niemand is zo zeker als hij zich voordoet. Femke ook niet. Het was moeilijk om tot haar door te dringen.
Soms was er wel eens een kleine dijkdoorbraak, een kleine inzinking, even een kwetsbaar meisje. Even dat lipje. Even overmand door hoogtevrees, ongepast voor iemand die de toppen der aarde wil bedwingen. Maar snel was er weer een krachtige Femke. Een jonge vrouw, die het moeilijk vond om haar excuses aan te bieden.

Femke trok haar eigen plan, bepaalde zelf het tempo. Ze deed dat wat ze belangrijk vond en het interesseerde haar niet wat anderen daar van vonden.
Ze zong graag. Ze bleef trouw aan het kinderkoor, toen haar leeftijdgenootjes al vetrokken waren. Femke speelde viool. En als het niet naar haar zin was ondernam ze actie, ze belegde vergaderingen: kritiek op de leiding, dreigen met opstappen!
Op school was het niet anders. Ze was lid van de beroepscommissie en zei wat gezegd moest worden. Niet om haar zelf, maar om de kwaliteit van het werk. Wel met haar persoonlijkheid: resoluut, heftig.

Want men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten…

Femke was een en al ambitie. Op de basisschool was ze de beste. Dat was geen verdienste. Dat ging vanzelf. Maar ze leerde andere kinderen van alles. Ze was de persoonlijke begeleider van Anneke. Ze wilde juf worden in een ver land bij kinderen die je veel kunt leren.

Want men steekt toch ook niet een lamp aan…

Haar inzet voor het milieu, haar anti-auto-houding, haar toekomstplannen: studeren in Wageningen om echt iets te doen voor de wereld: “want al die kakkers doen er niets aan”. Het is allemaal Femke, haar persoonlijkheid, haar bewustzijn, de vrouw die haar lamp wenste te plaatsen op een standaard.
Het is onaanvaardbaar dat zij er niet meer is. Maar zij ging weg als een sterke persoonlijkheid. Ze ging weg als een goede vriendin als een fantastische zus, als een dochter van trotse ouders. Maar ze ging wég.

Ze ging weg, zoals ze altijd de trap afkwam. Zelfbewust. Zo fietste ze de kruising op. De wereld uit.

Stokstijf stilstaan en ademloos verbitterd zijn, dat maakt leeg en eenzaam. We eren Femke door samen vurig verder te gaan.
Femke ging weg. Hield Femke van ons? Hebben we genoeg tegen elkaar
gezegd? Zijn we genoeg tot elkaar doorgedrongen? Hebben de botsingen ons
allebei opgelucht? Hebben we genoeg gecommuniceerd?
Moeten we ergens spijt van hebben?
We moeten nergens spijt van hebben. Femke houdt van ons, al was het niet gemakkelijk voor haar om dat te laten merken. Wij houden van Femke, al was het niet gemakkelijk om dat haar te laten merken. Ze leek zo sterk.

Dag Femke, blijf bij ons, maak óns sterk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Blikschade

Vanavond heb ik samen met drie leden van de ouderraad een enquête opgesteld. Het is de bedoeling dat de enquête onder alle ouders wordt verspreid. We hebben gepraat over het doel van de enquête. Wat willen we weten? Op welk gebied zijn ouders deskundig? Wat doen we met de uitslag? Enzovoorts. Na veel discussie en drie vol gekalkte tekenvellen stellen we vast dat we klaar zijn. De ouderraad mag ons werk beoordelen en dan kan het spel op de wagen!

Onderweg naar huis mijmer ik wat. Ik zoef over een tamelijk verlaten snelweg. Het is donker. Mooie muziek en nicotine zetten mijn gedachten in beweging. Gaat dat wel goed met die enquête? Zijn de doelen niet te hoog gesteld? Wie gaat straks de uitslag verwerken? Willen ouders iets dat de school niet kan leveren?

Ik passeer de verlichte gevels van prestigieuze gebouwen. Ik spel de namen van bedrijven, waarvan ik geen idee heb hoe ze inkomsten verwerven: “Asstec Luchtverdelingstechniek”. Hm, makkelijk verdiend: lucht verdelen… Daar komt die lelijke gevel van Ernst & Young weer aan. Quality In Everything We Do. Te veel hoofdletters, maar daar zal wel diep over zijn nagedacht. Jaren geleden heette het nog Consultancy. Maar dat kan iedereen. Vaak niet meer dan een goed gesprek en een hoog uurtarief. Dat hebben ze goed begrepen. Vaandelvlucht heet dat.

Wie weet zouden ze mij ook wel willen hebben als klant. Ik met mijn schooltje. Vroeger was er in het voortgezet onderwijs niet veel te halen voor bedrijven op A-locaties. Maar nu scholen soms geld over houden….
Misschien zijn er wel tien adviesbureaus, zelfstandige coaches en onderwijsconsultants die staan te trappelen om mij als klant in te schrijven. Wat zouden ze me graag laten voelen dat ik het niet alleen kan! Dat je toch niet echt goed bezig bent als je op een maandagavond even een enquête voor 1600 ouders in elkaar flanst. Dat zoiets moet passen in een kader. Dat er eerst eens een goed gesprek moet plaats vinden (met lekkere broodjes!) over welke strategie wij zouden willen hanteren tegen de achtergrond van de omgevingsvariabelen. Dat….

Ik ga wat rechter achter het stuur zitten. Ernst and Young is al weer opgelost in de duisternis. Maar ik ben gegroeid. Gestuwd door mijn eigen fantasie neem ik me voor om de volgende dag de redacteur van een prestigieus tijdschrift te bellen. Ik zal vragen om een interview met foto’s. Ik te midden van leerlingen. Op mijn voordeligst.
“Ouders betrekken bij kwaliteitsbeleid”, is dat niet wat? Klinkt goed, maar zit er een strategie achter? Ja, natuurlijk. Wat denk je wel? Dat ik een of ander provinciaaltje ben dat op een grauwe maandagavond een enquête in elkaar flanst?
Nee, nee! Wij hebben hier een beleidskader met een zelfreinigend vermogen. Wij hebben zelfs een missie met borging! En laat dat kwaliteitsbeleid nou precies passen in deze kaders!
De redacteur begint opgewonden te raken. Hij vraagt zich hardop af of we er niet een serial van kunnen maken. “Ouders betrekken bij kwaliteitsbeleid” in drie delen…. De enquête bewaren we voor deel drie. Eerst een verkenning in de breedte en de diepte. Zo werk je toe naar een échte oplossing!

Langzaam verschijnt aan de horizon de lichtende gevel van mijn schooltje. Ik droom een prachtig golvende glaswand, die suggereert dat er hele dure kunst achter verborgen is. Ik spel het strakke lettertype boven op het gebouw. “Educational values”. Moet er niet een subtitel onder, zoals bij Ernst & Young? Ik vraag me nog even af welke kleur die letters hebben. Want die kleur moet wel passen bij onze corporate identity. Iets van blauw, bijvoorbeeld. Want volgens de kleurenleer van Graves of Caluwé.. Of was het De Bono? Nee, dat is zo’n mutsen theorie. Het zal Goethe wel zijn. Die had veel met kleuren..
Zelfgenoegzaam sluit ik even mijn ogen.

Een snerpend geluid.
De vangrail schuurt langs mijn mooie blauwe auto. De adrenaline spuit uit mijn oren. Beheerst breng ik de auto op de pechstrook tot stilstand. Als ik uitgedampt ben en mijn hartslag weer normaal is start ik de motor weer.

Want wat moet ik hier?
Er is niemand die het ziet.
Ik, met dikke krassen op mijn blauwe auto.
Op mijn A-locatie.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Geachte klachtencommissie,

[non-narrative, sorry]

De ouders van Erik hebben een probleem. Ik erken dat. Sterker nog: ik herken het probleem. Toen mijn zoon een puber was…. Ik kan mij ook helemaal verplaatsen in het verdriet dat zij hebben over hoe het allemaal is gelopen.
Toch is hen te verwijten dat zij hun verdriet en teleurstelling zo extreem uitleven op de school. Dat de ouders zo ver zijn gegaan dat ik hier verantwoording moet komen afleggen, neem ik hen persoonlijk niet kwalijk. Het is hun recht. Deze ouders zijn in dit opzicht het product van onze tijd.

Maar dat betekent niet dat ik me daarbij neerleg.
Ik ben hier niet gekomen om deemoedig aan te horen wat mijn school en mijn bestuur verweten wordt. Ik wil dat de commissie haar maatschappelijke verantwoordelijkheid niet alleen invult door met grootst mogelijke zorgvuldigheid klachten af te handelen en te voorzien van een uitspraak.

Wat de uitspraak in deze zaak ook moge zijn, ik wil dat uw aandacht niet alleen uitgaat naar de klager, maar ook naar de aangeklaagde. Deze procedure lijkt vooral het domein te zijn van klagers en niet van de aangeklaagden. En dat deugt niet!
Ik wil klagen over het feit dat op mij een eenzijdige plicht berust om verantwoording af te leggen. De ouders hebben vanwege de aard van deze procedure geen verantwoordingsplicht. Zij kunnen de kaarten tegen de borst houden terwijl de commissie die van mij op tafel wil zien liggen.
Ik wil niet berusten in deze gang van zaken.

Ik leef mee met ouders die grote problemen hebben met hun opgroeiende kinderen. En dus ook met deze ouders. Ik ga hen geen verwijten maken.
Maar ik heb ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ik beschouw het als mijn plicht om kritische kanttekeningen te plaatsen bij deze procedure.
Waar leggen ouders verantwoording af? Is dit niet het zoveelste voorbeeld van een jij-baksamenleving? Is dit niet het zoveelste voorbeeld van een samenleving waarin we altijd een ander verantwoordelijk willen houden voor ons eigen falen?
Waarom kopen ouders een scooter voor hun zoon, die tweehonderd meter van de school woont? Waarom betalen zij ook de benzine evenals het abonnement van zijn Blackberry, en staan zij hem toe zijn zelfverdiende geld te besteden aan bier en rum-cola? Ik snap het: het gaat mij niet aan. Het is privé.
Ik verzin het ook maar.
Een school is (ook) in opvoedkundige zin een openbare ruimte en als ouders die ruimte betreden zouden toch ook hun opvoedkundige gedragingen aan de openbaarheid moeten kunnen worden prijs gegeven?
Deze procedure is niet alleen het domein van de klager, maar ook van degene die klaarblijkelijk tot het einde toe verantwoording moet afleggen.
Ik wil graag toegeven dat ik een paar onbenullen onder mijn docenten heb. Maar dat zijn er hooguit drie van de tientallen docenten die een leerling in de loop van vier schooljaren begeleiden.

Blijkbaar is alle inspanning, aandacht, en inzet nooit genoeg om te voorkomen dat ons verweten wordt dat we alleen maar ons straatje willen schoonvegen. Terwijl het klachtrecht van ouders alleen maar tot gevolg heeft dat scholen hun straatje schoon vegen! Het werk van deze commissie leidt er alleen maar toe dat scholen nog meer energie en tijd gaan steken in de procedure en dat boze ouders nog meer gaan klagen over scholen die alleen maar bezig zijn om hun procedures op orde te brengen…
En zo raken we steeds verder af van de kern van de zaak: ouders hebben een probleem en de school kan dat probleem niet oplossen. Dat verwijten de ouders de school en de school moet in de verdediging. Eigenlijk zou de school de ouders ook een verwijt moeten maken, maar er is geen school die dat durft.

Ik heb met deze ouders te doen.
Maar ik vind deze betreurenswaardige ontmoeting een voorbeeld van uit de hand gelopen consumentisme in een samenleving met een zwak moreel besef. Sommige ouders consumeren onderwijs en als het niet smaakt, consumeren zij een andere school en als die ook niet smaakt is er altijd nog het klachtrecht. Daar wordt het onderwijs niet beter van, maar ouders kun hun ongenoegen kwijt.

Geachte commissie,
Ik spreek u aan op uw maatschappelijke verantwoordelijkheid. Als u het geweten bent van zorgvuldig en correct handelen in het onderwijs, dan zou u moeten overwegen uitspraken te doen die niet alleen consequenties hebben voor individuele scholen, maar ook voor ouders en voor de samenleving.

Ik vind Erik trouwens een aardige jongen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Geef hem op zijn donder!

Als jongetje kreeg ik regelmatig op mijn donder van mijn moeder. Dat was bijzonder, want ik was tegelijkertijd haar oogappel. Waarom je de oogappel bent van je moeder weet je niet als je 11 jaar bent. Later heb ik het wel begrepen. Ik wilde namelijk dromer worden.
Op verjaardagsfeesten – van die bijeenkomsten met op elke tafel een glas met sigaretten en één klein sigaartje – vroegen ooms en tantes altijd wat je later wilde worden. Ze vroegen dat alleen aan jongens. Want van meisjes was het bekend: huisvrouw en moeder, of non.
Bij jongens was het een echte vraag. Mijn ene broer zei dat hij piloot wilde worden, mijn andere broer politie. Ik vond dat saai. Als het mij werd gevraagd zei ik: “Ik wil buiten spelen”. Dan keken de tantes mij meewarig aan en dan zei mijn moeder vergoelijkend: “Ja,ja… Jan-Hein dat is ’n echte dromer.”
En daarom was ik volgens mij haar oogappel.
Ze hield van haar dromer.

Maar ik kreeg toch regelmatig op mijn donder. En niet zo’n beetje. Het gebeurde altijd als ik boodschappen moest doen. En ik moest heel vaak boodschappen doen. Heel vervelend werk. Ik moest dan ook mijn kleine broertje meenemen. Zo’n dom kind van zes, die niet eens de weg wist naar de winkel en de hele weg aan mijn kop zeurde over hijskranen en vrachtschepen.
Voor de boodschappen moest ik naar Piet de Gruyter, die door mijn moeder Piet den Dief werd genoemd. Dat vond ik een prachtige naam. Ik zag dan een steeds een vieze man met een streepjespyjama en een ooglapje voor me. In de winkel heb ik die Piet nooit gezien. Hij zat zeker in de gevangenis ofzo. Later hoorde ik dat iedereen Piet zo noemde. Dat viel me een beetje tegen van mijn moeder.
Om bij Piet te komen moesten we naar het kanaal en langs Sluis Nul. Ook zo’n raadsel voor een 11-jarige. Waarom Nul? Ik begreep überhaupt weinig van de wereld van een sluis en schepen. Ik zag er geen doel of oorzaak in. Die schepen lagen daar maar een beetje tot het water was gezakt en dan gingen ze weer. Ik kon er lang naar kijken, als mijn broertje me niet uit mijn concentratie haalde met zijn gevraag. Achteraf gezien was hij waarschijnlijk slimmer, maar hij had geen dromen. Dat hij niet gewoon droomde, zoals ik, vond ik toen tamelijk irritant.

De opdracht voor het boodschappen doen had altijd de vorm van een klein briefje met veel tekst en een mondelinge toelichting. En met die mondelinge toelichting ging het altijd mis. Mijn moeder gaf namelijk bij elk artikel op het briefje aan, waar ik op moest letten:
of het was afgeprijsd,
of het van het merk X was,
of het in voordeelverpakking was,
of het een “literse” fles was,
of het dezelfde was als die ik vorige keer had meegebracht,
enzovoorts.
Terwijl mijn moeder sprak ging ik in de droomstand. Ik verlangde al naar Sluis Nul of hoopte Vieze Piet te zien. En hoe langer ze sprak, hoe intensiever mijn dromen.
En de rest kun je wel raden. Ik kwam thuis met de verkeerde Lodaline, te dure groene zeep en jonge kaas die belegen moest zijn omdat het een aanbieding was.
Ik onderging de tirade van mijn moeder gelaten. De volgende keer zou het weer zo gaan, want een dromer is met hele andere dingen bezig dan boodschappen doen.

Als je moeder, opvoeder of leraar ben, heb je kinderen en jonge pubers voor, die soms zijn zoals ik was. Je herkent zijn blik: hij kijkt naar je om je buiten te sluiten. Hij wil in de droomstand en kan de verleiding nauwelijks weerstaan. Hij kijkt naar je en ziet Sluis Nul. Hij luistert naar je en hoort alleen “Piet den Dief”.
Je wordt radeloos omdat hij niet naar je luistert, terwijl je het driemaal en duidelijk hebt verteld. Hij is het wéér vergeten…. Je kunt hem niet eens met een simpele boodschap sturen! Hij loopt van je weg en na zeven passen draait hij zich om: “Wat moest ik ook weer..?”

Geef hem op zijn donder!
Geef hem steeds weer op zijn donder! Maar laat hem niet los. Wees consequent, maar blijf bij hem. Wees boos, maar vergeef hem in je hart.
Zoals mijn moeder mij steeds weer vergaf. In haar hart.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Slim zijn is niet genoeg

In de Yehudastreet in Jeruzalem staat de Pelechschool. Het is een school voor meisjes. Wij hebben in Nederland de meisjesschool al meer dan veertig jaar geleden afgeschaft. Emancipatie en verheffing van het volk was de grond om af te rekenen met het verschil in toerusting van jongens en meisjes. Het is goede ontwikkeling geweest. Maar Israël is geen Nederland, en de jaren zestig in het Avondland stelden andere uitdagingen dan de afgelopen decennia in het Midden Oosten.

De Pelechschool is een religieuze school. Dat kennen wij ook. Wij verbinden veel negatieve associaties aan de “School met de Bijbel” of de “Koranschool”. Maar onze vooringenomenheid maakt ook blind.
Laat ik voor mezelf spreken: ik vind het bekrompen en wereldvreemd om onderwijs en opvoeding vorm te geven in een strak religieus kader.
Vind ik ook, zeg je? Ga dan eens op bezoek bij de Pelechschool.
Deze religieuze school voor meisjes is een tamelijk elitaire school. Zoals elke Joodse school heeft de school een hoog hek, diverse uitkijkposten en bewaking. Israel is in een permanente staat van oorlog. Maar afgezien van het feit dat het een fort is, kom je er als Joodse leerlinge niet zomaar in. Je moet intelligent zijn. En ambitieus. Het zijn voor het grootste deel kinderen van hoog opgeleide ouders met een goed inkomen. Dit onderwijs mag wat kosten.

“Pelech is a Torah-based educationally innovative high school for girls.”
In de school speelt de Bijbel een grote rol, niet orthodox, niet dweperig, maar wel wezenlijk en inspirerend. Het is een school, waarbij religie gebruikt wordt om van jonge meisjes sterke vrouwen te maken.
“Pelech aims at achieving maximum creativity and self-expression for every student. Pelech educates towards social responsibility and good citizenship through regular volunteering and national service. Pelech encourages its students to take up professional challenge and to help redefine the role of religious women in Israeli society.”
Het vertrekpunt in de lessen is de wetenschap. Maar er wordt voortdurend gewerkt aan dwarsverbanden en perspectieven die interdisciplinair zijn: “tangential curiosity often open up new perspectives”. Aan het slot van elk thema of lessencyclus moet elke leerling iets van het geleerde omzetten in een vorm van creatieve expressie: beeldend (tekenen, schilderen, ruimtelijk), dans, zang, proza of poëzie.

Ik was zeer onder de indruk van de werkwijze op deze school. Maar het meest was ik getroffen door de motivatie van de docenten. Letterlijk zei een van hen het volgende:
“Deze meisjes hebben stuk voor stuk voldoende intelligentie om later leiding gevende posities te bekleden: minister, directeur van een groot bedrijf, burgemeester. Maar intelligentie is in dit land niet genoeg. Dit is een land van vernietigende tegenstellingen: orthodoxe joden, fundamentalistische moslims, linkse niet-relgieuzen en rechts liberalen. Als je niet het ideaal hebt om van betekenis te zijn in deze smeltkroes, dan red je het niet in dit land. Je moet willen leven te midden van onoverbrugbare tegenstellingen.
Dat ideaal is wezenlijk en van levensbelang.
Zo onmisbaar als drinkwater.
Over dat ideaal hebben we het hier elke dag.”

Ons leven hier lijkt in geen enkel opzicht op het leven daar. Onze scholen functioneren in een rustige en tamelijk harmonieuze omgeving in een van de rijkste landen ter wereld. Voor onze jeugd gaat bijna alles vanzelf. Ze krijgen na deze school allemaal een opleiding en een baan. Voor ons als docenten is er verhoudingsgewijs weinig om ons grote zorgen over te maken. Er zijn geen grote conflicten en er is geen uitzichtloze ellende. Er is geen bestaansonzekerheid.
Maar hoe paradoxaal het ook klinkt: dat is tegelijkertijd onze grootse bedreiging. We werken in een klimaat waarin we niet vanzelf geprikkeld worden om idealen te formuleren. Onze slimme jongens en meisjes zijn in hun wezen niet anders dan die Joodse meisjes, maar wij maken er niet genoeg van. Wij slagen er niet voldoende in om van slimme kinderen te eisen dat ze meer zijn dan slim. Er zijn in de wereld van onderwijs en opvoeding te weinig idealen. Er is te veel pragmatisme.

Daarom moeten we ons zelf dwingen om onze idealen te formuleren. Ik bedoel dat niet als een vroom proces met wierook en kaarslicht. Maar als een streven naar leiderschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dát is voor ons noodzaak. De buitenwereld en het leven van onze leerlingen dwingen ons niet om samen een fort te vormen in een vijandige omgeving. Maar we leven wel in een samenleving die veel te verliezen heeft. Een samenleving waarin we jonge mensen zouden moeten zien als toekomstige leiders met een veelbelovende kijk op hun eigen rol.
Slim zijn is niet genoeg.

“Social responsibility and good citizenship through regular volunteering and national service.”

Ik heb best zin in een religieuze school.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Hij wilde zichzelf vergeten.

Bij het afscheid van Maurits, die zichzelf het leven benam.

Het moet goed zijn. Volmaakt. Alles moet goed geregeld zijn. Ik mag niets vergeten. Alles wat ik bewaard heb, moet ik gebruiken. Ik moet overal aan denken. Ik moet sterk zijn. Hoewel ik zo klein ben.

Anneke strijkt met haar hand door zijn haar.
Het is zo gewoon.
Maar Maurits is dood.
Duizend maal door zijn haar strijken verandert daar niets aan.
Al zou hij nog leven.

Papa is sterk. Hij geeft je een veilig gevoel. ’s Avonds is het licht aan op zijn kamer. Dan weet je dat hij er is. En dat je nergens bang voor hoeft te zijn. Niet voor het donker, niet voor de toekomst.
Papa is serieus, ernstig. Hij wil dat alles goed gaat. Hij wil alles voor je regelen. Hij houdt ook nooit op. Een vast tijdschema. Steeds wil hij voorzien wat er mis zou kunnen gaan. Gaat het wel goed op school? En morgen? En volgend jaar? Is het niet te moeilijk? Denk je ook aan andere dingen dan alleen aan je sport? Heb je een vriendje?
Alle denkbare scenario’s gaan door zijn hoofd. Hij weet dat hij niet alles kan regisseren. Maar hij kan wel alles bedenken, alles wat er kan gebeuren, wat er verkeerd kan gaan.
Hij kijkt door je heen. Hij weet hoe je je voelt.
Bij papa voel je je veilig.

Er is altijd wat te doen. Je kunt nuttig werk doen. Je kunt jezelf altijd verbeteren. Je kunt je doelen altijd nog hoger stellen. Je kunt altijd nog attenter zijn. Je kunt nog beter willen luisteren naar de problemen van anderen. Je kunt nog beter.
Je moet beter zijn dan je bent. Je mag niemand teleurstellen. Alleen jezelf. Het resultaat valt altijd tegen. Maar dat is je eigen schuld. Je moet beter zijn.

Als Maurits met zijn gezin op vakantie ging, was dat een opdracht voor hem. Hij schreef het scenario voor een onbezorgde vakantie. Hij sloofde zich uit: speurtochten uitzetten, toernooien organiseren. En natuurlijk: cultuur. Iets nuttigs. De kinderen vinden dat natuurlijk niet leuk, maar later zullen zij beseffen dat het belangrijk is.
En als de vakantie voorbij was, was zijn opdracht klaar. Opgelucht. Hij kon weer gewoon aan het werk. En volgende keer? Dan zou hij het nog beter doen.

Het scenario voor zijn eigen leven kon hij niet schrijven. Dat was een gemis. Maar daar werkte hij zich doorheen. Zolang als het kon.

Sterven doe je niet omdat je ervoor kiest.
Sterven doe je omdat je het leven verliest.
Sterven is geen keuze.
Je sterft als je geen keuze meer hebt.

Maurits is geïnteresseerd in anderen. Hij staat open voor de mensen om hem heen. Hij zuigt ze op. Hij is vasthoudend in zijn gedachten over anderen. Soms kan hij moeilijk vergeven. Soms kan hij zich niet neerleggen bij andermans houding, als hij die houding niet begrijpt.
Soms hangt er zo’n stemming om hem heen, die niet snel verdwijnt.
Hij kan lijden onder andermans lijden, alsof het zijn eigen lijden is.
Maar zijn eigen lijden is veel groter en daarom wil hij daar maar liever niet aan denken.

Papa ik mis je.
Ik wist dat het niet goed met je ging. Ik zag dat er leven uit je ogen verdween, maar ik dacht dat het wel weer terug zou komen. Ik wist niet dat het zo erg was. Had ik het maar geweten. Maar jij wou mij sparen. Jij vond dat ik vrolijk en gelukkig moest kunnen zijn. Jij vond dat je geen last mocht zijn. Ik was liever ongelukkig geweest, als dat had geholpen.

Maurits miste een scenario met een doel voor zijn eigen leven. Hij werkt zijn hele leven aan het leven van anderen. Hij verwent zijn omgeving met aandacht, met zorg. Maar op een dag komt hij toch bij zichzelf uit. Leegte. Een diepe put van eenzaamheid.

“Ik ben maar een heel klein mensje”, zei Maurits tegen Anneke. “Ik wil niemand tot last zijn.”
Hij wilde alleen zichzelf tot last zijn. Hij was niemand tot last. Hij was alleen zichzelf tot last. Het lag alleen maar aan hem, vond hij. Hij gaf zichzelf tijd en besliste zelf dat de tijd om was.

Hij wilde altijd de sterkste zijn. Hij wilde altijd de beste zijn voor anderen. En vergat zichzelf. Dat deed hij het liefst. Hij wilde voor anderen zorgen om zichzelf te vergeten. Maar uiteindelijk kwam hij toch bij zichzelf uit. Onoplosbare eenzaamheid. Leegheid.
Hij wilde zichzelf vergeten.

Zij die van hem houden begrijpen hem.
Hij kon niet anders.

Hij wilde zichzelf vergeten.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen